Gorteria 33 -- Samenvattingen en Summaries


Gorteria 33-4: 202–210

J. van Heeswijk

 

Het archief van de KNBV

 

Dit artikel geeft een korte beschrijving van het KNBV-archief en de belangrijkste subarchieven. Hierbij wordt de belangrijke rol van Ruud van der Meijden bij de uiteindelijke ontsluiting benadrukt. Vervolgens worden enige archivistische begrippen uitgelegd en wordt een beknopte geschiedenis van de KNBV gegeven. Verder wordt ingegaan op de wijze van ontsluiting en het toegankelijk maken van het archief.

 

The archive of the Royal Dutch Botanical Society

 

This paper gives a short description of the archive of the Royal Dutch Botanical Society and its sub-archives. The important role of Ruud van der Meijden in its definitive disclosure is emphasized. In addition some important archive terms are explained and a short history of the society is presented. A short introduction on disclosure and accessability of the archive is also given.

 


Gorteria 33-4: 186–201

W.L.M. Tamis, A. Beckers, L. Louwe Kooijmans, J. Mourik & B. Vreeken

 

Hap, daar gaat weer zo’n smakelijke orchis; de gevolgen van begrazing door vee voor Rode Lijstsoorten

 

Ruud van der Meijden begon zijn floristische carrière in de duinen van Voorne en deed daar in de jaren voor zijn overlijden waarnemingen over de negatieve gevolgen van begrazing door vee, in het bijzonder voor orchideeën. Dat bleek achteraf het startschot voor een brede discussie over de gevolgen van begrazing door vee voor bijzondere plantensoorten in natuurgebieden. Hij verzette zich vooral tegen het incorrecte ‘oernatuur’-beeld, het jaarrond begrazen, het bijvoederen in de winter en de inadequate wijze van monitoring. Naar aanleiding van deze discussie is in 2005 onderzoek gestart in de duinen van Oostvoorne naar de gevolgen van begrazing voor Rode Lijstsoorten. Na twee jaar zijn er nog geen duidelijke resultaten, alhoewel sommige soorten orchideeën lijken te profiteren van de uitrastering. In de Amsterdamse Waterleidingduinen echter, heeft men al meer dan vijftien jaar ervaring met begrazing en kent men de effecten ervan. Hier blijkt dat de meeste Rode Lijstsoorten zich in de begraasde gebieden over het algemeen goed handhaven. Enkele soorten van algemene vegetaties, zoals duingrasland of bos, worden talrijker of verspreiden zich, maar soorten van beperkt voorkomende vochtige duinvalleien, gaan achteruit of verdwijnen door overbegrazing en/of tred.

 

Munch, munch, there goes another tasty orchid; the impact of cattle grazing on Red List species

 

Ruud van der Meijden began his career in floristics in the Voorne dunes and it was there, too, in the years prior to his death, that he made a series of observations about the negative impact of cattle grazing on orchids in particular. It was the starting shot for a consciously triggered national debate about the consequences of grazing for valuable species in protected nature areas. There were four things he was particularly opposed to: a flawed notion of ‘primeval nature’, year-round grazing, supplementary winter feeding, and inadequate monitoring. Prompted by this debate, a study was initiated in the Oostvoorne dunes in 2005 to empirically assess the consequences of grazing for Red List species. Two years into the study the results are still not entirely clear, although certain orchid species appear to have benefited from fencing off. As has become clear from fifteen years of grazing in the dunes used for water infiltration (Amsterdamse Waterleidingduinen), most Red List species generally appear to survive well in the areas grazed. Several species of common vegetations like dune grassland and woodland have become more abundant or have colonised new areas. Species of rarer habitats like dune slacks, on the other hand, have declined or disappeared as a result of overgrazing and/or trampling.

 


Gorteria 33-4: 166–185

W.L.M. Tamis, H. Duistermaat, R.C.M.J. van Moorsel, J.D. Kruijer & M.C. Roos

 

Het verdwijnen en (weer) verschijnen van plantensoorten in Nederland

 

In 1995 verscheen een hoofdstuk in het boek ‘Biodiversiteit in Nederland’ over het uitsterven van plantensoorten in Nederland van de hand van Ruud van der Meijden en Jacqueline Gillis. Vanaf 1840 was het totaal aantal verdwijningen toen 73 en het aantal terugvondsten 14. Zij stelden voorts vast dat vanaf 1920 het aantal verdwijningen van plantensoorten ongeveer constant is: ca. 20 in de 20 jaar. Ook vonden zij dat de kans op uitsterven het grootst was voor soorten met een voorpost- of marginaal areaal. Na 15 jaar is de stand van zaken van het verdwijnen en (weer) verschijnen van plantensoorten in Nederland opnieuw beoordeeld. Vanaf 1900 is het totaal aantal verdwijningen 83 en het aantal terugvondsten 41. Verschillen met de resultaten van Van der Meijden en Gillis worden met name verklaard door andere selectie van soorten en een langere periode voor het terugvinden van soorten. De belangrijkste andere conclusies van Van der Meijden en Gillis staan nog steeds grotendeels overeind. Aanvullende conclusie is dat verschuivingen in de arealen van plantensoorten een rol lijkt te gaan spelen. In de laatste periode vinden we een kleiner aantal verdwijningen, een groter aantal terugvondsten en meer nieuwe soorten vanuit Europa. Op basis van deze resultaten pleiten we ten slotte, net als Van der Meijden en Gillis in 1995, voor een minder prominente rol voor de verdwenen en (teruggevonden) zeer zeldzame soorten in het Nederlandse natuurbeleid.

 

The loss and (re)appearance of vascular plant species in the Netherlands

 

In one of the chapters of the 1995 book ‘Biodiversiteit in Nederland’ [Biodiversity in the Netherlands] the loss of plant species in the Netherlands was reviewed by Ruud van der Meijden and Jacqueline Gillis. At the time the total number of occurrences of species loss was calculated as 73, with 14 cases of species reappearance since 1840. The authors went on to state that the rate of loss has remained more or less constant since 1920 at around 20 species every 20 years. They also found that the probability of loss is greatest for species at the edge of their range in the Netherlands or with only a marginal distribution there. Fifteen years on, the situation with respect to the loss and (re)appearance of plant species in the Netherlands has been reviewed once more. Since 1900 there have been 83 cases of species loss and 41 of species reappearance. The differences from the findings of Van de Meijden and Gillis are due to a different selection of species as well as a longer period being taken for species reappearance. The authors’ other main conclusions remain largely valid. A new, additional conclusion of the present study is that shifts in species range also appear to play a role. In the most recent period we find fewer cases of species loss and more cases of species reappearance, as well as more new species arriving from elsewhere in Europe. Based on these results we argue, finally, just as Van der Meijden and Gillis did in 1995, for a less prominent role to be given to the loss and reappearance of extremely rare species in Dutch nature conservation policy.

 


Gorteria 33-4: 156–165

J.-P.M. Witte

 

Schaalafhankelijkheid van soortenrijkdom en zeldzaamheid

 

Verspreidingskaarten van soorten op een rasterbasis kunnen worden gebruikt om te onderzoeken hoe zeldzaamheid en soortenrijkdom afhangen van ruimtelijke schaal. Ruimtelijk opschalen van een soort gebeurt door eenvoudigweg waarnemingen in hokken van het oorspronkelijke raster samen te voegen tot steeds grovere hokken. De aldus verkregen relaties tussen schaal en zeldzaamheid of soortenrijkdom kunnen vervolgens worden gebruikt om soorten naar beneden te schalen. Zo worden de soortenrijkdom en zeldzaamheid van soorten berekend op een fijnere schaal dan die van het oorspronkelijke waarnemingsraster. Dit artikel bespreekt verschillende schalingsmethoden. Beargumenteerd wordt dat hokken van één hectare beter aansluiten bij de doelstellingen van de natuurbescherming, dan de huidige kilometerhokken van FLORBASE.

 

Scale dependency of species richness and species rarity

 

Distribution maps of species based on a grid are useful for investigating relationships between scale on the one hand, and both species richness and species rarity on the other. A species is scaled up simply by merging occupied grid cells on the observation grid to successively coarser cells. Relationships obtained in this way can be used to extrapolate species down, in other words to compute species richness and species rarities at finer scales than the observation scale. In this paper, we discuss spatial scaling methods. We hypothesize that a resolution of one hectare fits conservation purposes better than the current one square kilometre resolution of the Dutch national grid.

 


Gorteria 33-4: 149–155

K. van den Hof

 

Polyploïdie in Viooltje (Viola L.)

 

Verschillende soorten die verwant zijn aan Viola persicifolia zijn, net als vele andere Viola-soorten, het resultaat van hybridisatie tussen twee of meer vooroudersoorten. Deze soorten zijn dus niet het resultaat van dichotome evolutie (het afsplitsen van een vooroudersoort), maar zijn het resultaat van reticulate evolutie. Deze verwantschappen zijn goed in kaart te brengen door in moleculair onderzoek gebruik te maken van genen waarvan verscheidene kopieën aanwezig zijn in het genoom. Zo’n gen is bijvoorbeeld het gen Chalcone Synthase. In Viola zijn voor dit gen drie kopieën aanwezig. Bij één van deze kopieën komen verschillende allelen voor, die voor een aantal soorten de reticulate patronen duidelijk naar voren laten komen. Door het hier gepresenteerde moleculair onderzoek zijn niet alleen de nauwste verwanten voor V. persicifolia gevonden, maar kon ook hun reticulate verwantschappen worden aangetoond.

 

Polyploidy in Viola L.

 

A number of species related to Viola persicifolia have resulted from hybridization between two or more parental species. Hence, these hybrid species do not result from a dichotomous pattern of evolution, originating from one ancestor, but from reticulate evolution. The best way to unravel the reticulate patterns is by molecular research using a gene of which multiple copies are present in the genome. Such a gene is the gene Chalcone Synthase. In the genus Viola, three copies of this gene are present, of which one has multiple alleles. These alleles have proved useful in unravelling the reticulate relationships between several Viola species. In the molecular study presented here, not only the closest relatives of V. persicifolia could be clarified, but the reticulate relationships between these relatives could be recovered as well.


Gorteria 33-4: 140–148

C.A. Stace

 

Chaos uit orde in onze nieuwe Flora's?

 

In dit artikel worden de gevolgen van moleculaire gegevens en de daaruit voortkomende interpretaties in de vorm van nieuwe classificaties besproken vanuit het gezichtspunt van de Floraschrijver. Die is voor een bijzonder moeilijk dilemma komen te staan, omdat hij een balans moet zien te vinden tussen het harde bewijs van moleculaire evolutie en het maken van een gebruikersvriendelijke  Flora voor een uiteenlopend publiek variërend van amateurs tot professionele botanici. De argumenten voor of tegen het implementeren van moleculaire classificaties in standaard Flora's worden tegen elkaar afgewogen, een afwegingsproces dat Ruud van der Meijden al had afgerond en waarin hij tot een ondubbelzinnige conclusie was gekomen. Daarnaast wordt de vorm van onze toekomstige Flora's bediscussieerd.

 

Chaos out of order in our new Floras?

 

The impact of molecular data and their interpretation in the form of new classifications are considered mainly from the point of view of the Flora-writer, who, to use a well-worn phrase, is left between a rock (the concrete evidence of molecular evolution) and a hard place (the provision of a user-friendly plant manual to a wide range of amateur and professional readers). The arguments for and against the adoption of molecular classifications in standard Floras, already considered and answered unequivocally by Ruud van der Meijden, are weighed, and the format of our future Floras is debated.

 


Gorteria 33-4–6: 133–139

P.B. Pelser

 

Het belang van moleculaire kenmerken voor de plantensystematiek

 

In de 23e druk van de Heukels’ Flora van Nederland wordt een classificatie van bloemplanten gebruikt die erg verschillend is van de classificaties in eerdere drukken. Deze nieuwe classificatie is het resultaat van nieuwe inzichten in de evolutionaire verwantschappen tussen plantenfamilies die voortgekomen zijn uit verwantschapsanalyses van moleculaire gegevens. In dit artikel bespreek ik waarom moleculaire gegevens zo nuttig zijn om verwantschapsrelaties te reconstrueren en geef ik twee voorbeelden van hoe deze gegevens gebruikt worden om evolutionaire processen te bestuderen die aan deze relaties ten grondslag liggen.

 

The importance of molecular characters for plant systematics

 

The 23rd edition of the ‘Heukels’ Flora van Nederland’ [Heukels’ Flora of the Netherlands] presents a classification of flowering plants that is very different from any classification scheme used in previous editions of this Dutch Flora. These taxonomic changes are due to new insights into the evolutionary relationships between plant families obtained from the results of phylogenetic analyses using molecular data. In this paper, I outline why analyses of molecular data are powerful tools for reconstructing evolutionary relationships and I give two examples of how these data can be used to learn more about the evolutionary processes which underlie these patterns of relationship.

 


Gorteria 33-4–6: 120–132

H. Duistermaat

 

Viermaal Van der Meijden: evolutie van de Heukels’ Flora van Nederland in de periode 1983–2005

 

Dit artikel bespreekt hoe de Heukels’ Flora van Nederland in de vier edities die Ruud van der Meijden verzorgd heeft is veranderd. Aandacht gaat hierbij achtereenvolgens uit naar de sleutels, de illustraties, de selectie van de soorten voor opname in de Flora, de soortomgrenzingen en classificatie die hij volgde en ten slotte de meest tijdrovende nomenclatuurkwestie waar hij mee te maken kreeg. De conclusie luidt dat de Heukels’ Flora van Nederland is uitgegroeid tot een standaardwerk.

 

Four times Van der Meijden: evolution of the Heukels’ Flora van Nederland in the period 1983–2005

 

This paper describes how the ‘Heukels’ Flora van Nederland’ [Heukels’ Flora of the Netherlands] has changed in the four editions that Ruud van der Meijden authored. Attention is paid to the identification keys, the illustrations, the selection of species dealt with in the Flora, the species delimitation and classification that he chose, and, finally, the most time-consuming nomenclatural problem that he had to deal with. The conclusion is that ‘Heukels’ Flora van Nederland’ has grown to become the standard.

 


Gorteria 33-4–6: 102–119

W.J. Holverda, J.D. Kruijer & C.F. van Beusekom

 

Ruud van der Meijden (1945–2007): ambachtelijk plantentaxonoom en vrijmoedig verteller in de nationale floristiek

 

Ruud van der Meijden was een enthousiast en inspirerend botanicus die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de floristiek in Nederland. Hij stond aan de wieg van de Stichting FLORON en het databestand FLORBASE. Hij heeft botanisch en floristisch Nederland vertrouwd gemaakt met de modernste inzichten in de plantensystematiek door deze toe te passen in de vier edities van de Heukels’ Flora van Nederland1–5 die hij heeft samengesteld en geschreven.

 

Ruud van der Meijden (1945–2007): skilful and diligent plant taxonomist and bold conversationalist in Dutch floristics

 

Ruud van der Meijden was an enhousiastic and inspiring botanist who has paid a significant contribution to the development of Dutch floristics. He was co-founder of Stichting FLORON [the FLORON foundation] and the floristic data base FLORBASE. He incorporated the most recent insights in plant systematics in the four editions of the Heukels’ Flora van Nederland1–5 which he had written and edited. In doing so, he made many Dutch botanists and other users of these Floras familiar with these new insights and corresponding novel classifications.

 


Gorteria 33-4–6: 101

Van de redactie

 

Het was voor de redactie een uitgemaakte zaak dat na zijn overlijden in 2007, onze voormalig hoofdredacteur Ruud van der Meijden (Fig. 1) herdacht zou moeten worden met een speciale aflevering met een collectie artikelen die recht doen aan Ruuds wetenschappelijk werk. Het resultaat is dit extra dikke themanummer, waarin wij getracht hebben Ruuds erfgoed breed voor het voetlicht te brengen. Enkele bijdragen gaan in op de betekenis van Ruud voor het systematisch en floristisch onderzoek aan de Nederlandse flora. Een groot deel is gewijd aan de stand van zaken op specifieke interessegebieden van Ruud betreffende de Nederlandse floristiek en de toepassing van floristische kennis; interessegebieden waar Ruud veelal een sterk, soms controversieel standpunt innam. De redactie is overtuigd dat u hiermee een interessant en veelzijdig bewaarnummer in handen heeft gekregen.

 


Gorteria 33-3: 61–76

J.A. Pollux

 

Voortplanting en zaadverspreiding bij Kleine egelskop (Sparganium emersum Rehmann, Sparganiaceae)

 

Rivieren bieden speciale leefgebieden aan waterplanten vanwege (1) de continue blootstelling aan turbulente stromingen, (2) het unidirectionele karakter van de stromingsrichting en (3) het ééndimensionale, lineaire karakter van riviersystemen. In dit artikel zal nader worden ingegaan op de gevolgen van deze kenmerken voor de voortplanting, en de verspreiding van de eenzadige vruchten, van Kleine egelskop (Sparganium emersum) in riviersystemen.

Continue blootstelling aan sterke stroming levert het gevaar dat waterplanten schade oplopen aan hun bladen en wortelstelsels. Waterplanten kunnen zulke schade voorkomen door hun morfologie zodanig aan te passen dat hun hydraulische resistentie verlaagd wordt. Deze morfologische aanpassingen kunnen echter negatieve gevolgen hebben voor hun seksuele voortplanting, en vervolgens voor de genotypische diversiteit binnen hun populaties. In het eerste deel van dit artikel zullen de relaties tussen watersnelheid en de morfologie van de plant, de seksuele versus klonale voortplanting en de genotypische diversiteit binnen een populatie in detail worden beschreven voor Kleine egelskop.

De meeste waterplanten worden gekenmerkt door een sessiele levenswijze tijdens hun volwassen stadium en zijn voor hun verspreiding afhankelijk van zaden, vruchten en vegetatieve plantendelen. In het tweede deel van dit artikel zal de verspreiding van zaden en vruchten door verschillende vectoren (water, vissen en watervogels) worden besproken. Hierbij zal de nadruk worden gelegd op hoe de verschillende zaad- en vruchtkenmerken en vectorkenmerken de verspreiding van zaden en vruchten beïnvloeden.

 

Reproduction and seed dispersal of Unbranched bur-reed (Sparganium emersum Rehmann, Sparganiaceae)

 

Rivers offer special environments to aquatic plants because of (1) the continuous subjection to turbulent flow, (2) the unidirectional nature of the water flow and (3) the one-dimensional, linear arrangement of populations along the river course. Here we will discuss the consequences of these characteristics for the reproductive strategy and dispersal of the 1-seeded fruits of Unbranched bur-reed (Sparganium emersum) in river systems.

Subjection to turbulent flow may damage the leaves and root systems of plants. Aquatic plants can avoid such damage by adjusting their morphology in such a way that their hydraulic resistance is reduced. However, these morphological adaptations may have negative consequences for their ability to reproduce sexually, and subsequently for their genotypic diversity within populations. In the first part of this article we will describe the relationships between water velocity and plant morphology, sexual versus clonal reproduction, and the genotypic diversity within populations for Unbranched bur-reed (S. emersum). Most aquatic plants lead a sessile life style and depend on free-floating diasporas (such as seeds, fruits, and vegetative plant fragments) for their dispersal. In the second part of this article we will discuss dispersal of seeds and fruits by different vectors (water, fish, waterfowl). Here we will particularly focus on how differences in seed and fruit characteristics and vector characteristics affect the dispersal of seeds and fruits.

 


Gorteria 33-2: 50–58

J.-F. Veldkamp

 

Gladde ooievaarsbek, Geranium aequale (Bab.) Aedo (Geraniaceae), een niet zo nieuwe soort voor Nederland?

 

Geranium aequale (Bab.) Aedo (Geraniaceae), Gladde ooievaarsbek, is in Nederland een over het hoofd geziene soort. Hij lijkt veel op G. molle L., maar verschilt door de gladde vruchtkleppen, die aan de voet een rij kleine wimpers hebben en het relatief langere zaad, dat duidelijk uitsteekt boven de kleppen. Hij schijnt verder vaak witte bloemen te hebben. Er worden enige aanvullende vindplaatsen voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk gegeven, evenals een nomenclatorisch overzicht en een beschrijving.

 

Geranium aequale (Bab.) Aedo (Geraniaceae), a not so new species for The Netherlands?

 

Geranium aequale (Bab.) Aedo (Geraniaceae) is an overlooked species in The Netherlands. It is very similar to G. molle L., but differs by having smooth fruit valves with a row of cilia at their base and a relatively longer seed, which is clearly protruding beyond the valves. Moreover, it seems that the species often has white flowers. Some additional localities for Germany and the United Kingdom are given as well as a nomenclatural survey and a description.

 


Gorteria 33-2: 41–49

J.L.C.H. van Valkenburg & R. Pot

 

Landoltia punctata (G.Mey.) D.H.Les & D.J.Crawford (Smal kroos), nieuw voor Nederland

 

Landoltia punctata, een oorspronkelijk Australische en Zuidoost-Aziatische soort, is voor het eerst in 2007 ook in Nederlandse buitenwateren waargenomen. De soort, die in het Nederlands Smal kroos gaat heten, valt op door de omgekeerd eironde tot enigszins asymmetrisch niervormige schijfjes, met een of drie gewelfde nerven. De onderzijde kan paarsrood zijn, vooral aan de randen van de schijfjes. De schijfjes hebben meer dan één, maar niet veel wortels.

De soort is veelvuldig aanwezig als verontreiniging in waterbakken bij tuincentra en dierenspeciaalzaken die aquariumplanten verkopen. Het ligt dan ook voor de hand dat Landoltia punctata als verontreiniging met aquarium planten uit Zuidoost-Azië naar Nederland is gekomen. Door de jaren heen is het aantal vondsten in Europa beperkt geweest en een aantal vindplaatsen tijdelijk. Het is niet waarschijnlijk dat de soort problemen zal geven voor het waterbeheer in Nederland. De ecologie verschilt nauwelijks van die van inheemse kroossoorten, en het risico voor (volledige) verdringing van een inheemse soort lijkt uiterst gering.

 

Landoltia punctata (G.Mey.) D.H.Les & D.J.Crawford (dotted duckweed), a new record for The Netherlands

 

Landoltia punctata, native to Australia and SE Asia, was first recorded in The Netherlands in 2007. The species can be recognized by the narrowly egg-shaped to slightly kidney-shaped fronds, with one or three curved nerves. The ventral side if often purplish-red, especially at the margin. The fronds have more than one, but always relatively few roots.

The species was often encountered as contamination in water tanks at garden centres and pet shops selling aquarium plants. It is very plausible that Landoltia punctata has been introduced as a contamination with aquarium plants from South-East Asia. In Europe the number of recent records is low and some were only temporary. It is not very likely that the species will be a nuisance to water management in The Netherlands. Its ecology hardly differs from other indigenous duckweed species and the risk of replacement of a native species is very low.

 


Gorteria 33-2: 33–40

T. Denters & F. Verloove

 

Smalle ijzervaren, Cyrtomium fortunei J.Sm., nieuw in Nederland

 

In Nederland is naast Cyrtomium falcatum een tweede Cyrtomium-soort verschenen: C. fortunei. Cyrtomium fortunei werd in 1992 voor het eerst in Rotterdam aangetroffen. Ook in België is de soort recent ontdekt. Inmiddels is C. fortunei op 28 locaties in de Lage Landen aangetroffen, waarvan 9 in Nederland en 19 in België. Dit artikel bevat een determinatiesleutel aan de hand waarvan beide soorten goed gedetermineerd kunnen worden. Verder gaat het artikel in op het voorkomen en de ecologie van beide soorten in de Lage Landen. Cyrtomium fortunei verkiest evenals C. falcatum stenige biotopen. De opkomst van dit tweetal staat niet op zich zelf; er is sprake van een intocht van exotische muurvarens, die in dit artikel nader wordt geanalyseerd.

 

Cyrtomium fortunei J.Sm., a new record for The Netherlands

 

In addition to the previously reported Cyrtomium falcatum, a second Asian species of the fern genus Cyrtomium has recently been recorded for The Netherlands: C. fortunei. This species was first recorded in 1992 in Rotterdam and showed up in Belgium in 2002. Hitherto, the species has been found in 28 sites in the Low Countries, of which 9 in The Netherlands and 19 in Belgium. This paper provides an identification key in order to facilitate the identification of both species. Furthermore, the currently known distribution of Cyrtomium falcatum and C. fortunei in the Low Countries is briefly described and some ecological comments are given. Finally, the recent influx of exotic mural ferns – in particular in urban habitats where frostbite is less likely – is being discussed.

 


Gorteria 33-1: 32

 

Jaargang 33

 

De aflevering van Gorteria die nu voor u ligt is de eerste van jaargang 33. Deze jaargang is een voor Gorteria bijzondere jaargang en zal in 2007 en 2008 uitkomen. De redactie heeft het voornemen om in deze jaargang twee bijzondere themanummers te laten verschijnen:

De voorbereidingen voor beide themanummers zijn in volle gang. Het rozennummer krijgt boekachtige-proporties en zal voorzien in een bij veel floristen al lang levende behoefte, namelijk inzicht krijgen in de verscheidenheid van de wilde rozen in Nederland. Het themanummer dat is gewijd aan Ruud van der Meijden zal ongeveer de omvang van een dubbelnummer krijgen. Het verschijnen van beide themanummers wordt in de eerste helft van 2008 verwacht.

De tweede aflevering van jaargang 33 wordt een ‘gewone’ aflevering en zal naar verwachting in januari 2008 verschijnen. Een actueel publicatieschema is te vinden op de Gorteria-website; deze website is te bereiken via het volgende nieuwe adres:

www.nationaalherbarium.l/gorteriaweb/

DE REDACTIE

 


Gorteria 33-1: 21–27

G.M. Dirkse, W.J. Holverda, S.M.H. Hochstenbach & A.I. Reijerse

 

Solanum carolinense L. en Pimpinella peregrina L. in Nederland

 

Solanum carolinense L., een kniehoog bestekeld en met sterharen bezet, bleekblauw bloeiend struikje is recent op een aantal plekken aan vooral de Waal gevonden. De eerste vondst dateert echter al van 1983 bij Ochten, maar de soort werd toen niet herkend. Gebleken is dat de populaties zich in ieder geval vegetatief uitbreiden en dat inburgering een kwestie van tijd lijkt te zijn.

Pimpinella peregrina L. is een op P. anisum L. gelijkende witbloeiende schermbloem met  sterk behaarde vruchten. Bij eerstgenoemde zijn de vruchten echter kleiner en hangen de jonge schermen, terwijl die van P. anisum rechtop staan. Pimpinella peregrina is nu bekend van verstoorde habitats op de Waaldijk nabij Nijmegen, in Rotterdam en uit de omgeving van Brunssum. Het gaat steeds om vele exemplaren, die als bestanddeel van kleurige bloemenmengsels in bermen en op taluds worden uitgezaaid.

 

Solanum carolinense L. and Pimpinella peregrina L. in The Netherlands

 

Solanum carolinense L. is a prickly shrub, totally covered with branched hairs. The flowers are pale blue. Since 2004, S. carolinense has been found in several localities on sandy riverbanks along the River Waal. The first collection from The Netherlands of this species, however, dates from 1983, when it was found near Ochten, but not recognized as such. Populations expand vegetatively and it seems a matter of time before the species will have established itself permanently.

Pimpinella peregrina L. is an umbellifer resembling P. anisum L. by its white-flowered umbels and hairy fruits. In the first species, however, the fruits are smaller and the young umbels hang, whereas those of P. anisum are erect. In 2003, P. peregrina was found growing abundantly on a reconstructed dike along the River Waal near Nijmegen and more recently, it was found equally abundant in similarly disturbed habitats in Rotterdam and Brunssum. The occurrance there is most likely resulting from sowing flower seed mixtures.

 


Gorteria 33-1: 20

 

Marco Roos opvolger van Ruud van der Meijden als hoofdredacteur van Gorteria

 

Op 1 juni 2007 is Marco Roos (Fig. 1) benoemd als hoofdredacteur van Gorteria ter opvolging van de ons ontvallen Ruud van der Meijden.

Marco (51) studeerde van 1974–1981 Biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en specialiseerde zich in de Plantensystematiek en de Tropische Botanie. Van jongs af aan stond zijn keuze om biologie te studeren vast, vooral vanwege een grote belangstelling voor dieren. Tijdens zijn studie ging hij zich echter veel meer op botanische onderwerpen richten en verbrede hij zijn interesse naar de biodiversiteit in het algemeen. Zo ontwikkelde hij een brede floristische en faunistische kennis, onder andere tijdens de vele excursies van het expuut Sacculina en de inventarisaties in de provincie Zeeland ten behoeve van het Atlas van de Nederlandse Flora-project (waaraan hij onder andere samen met de toenmalige Gorteriaredacteur Frits Adema deelnam).

In 1985 promoveerde Marco op een proefschrift over de tropische Eikenbladvarens (Drynaria en Aglaomorpha). Sinds 1991 werkt hij bij de Leidse vestiging van het Nationaal Herbarium Nederland als projectleider van de onderzoeksgroep Plant diversity of the Indo-Pacific and Tropical Asia. Een groot deel van zijn tijd besteed hij aan onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de plantensystematiek, de stamboom van het leven en de diversiteit van planten. Zijn kennis van de Nederlandse flora zet hij in tijdens duin-en-landschapexcursies, de cursus Training Floragebruik en vele andere onderwijsactiviteiten van de opleiding Biologie van de Universiteit Leiden.

DE REDACTIE

 


Gorteria 33-1: 11–20

W.L.M. Tamis & Ruud van der Meijden

 

De uitwerking van de Natuurwaarde-index voor de duinen

 

De biodiversiteit gaat op grote schaal achteruit. Biodiversiteit is een complex begrip en daarom is er behoefte aan een heldere maat om de achteruitgang van de biodiversiteit te karakteriseren en te communiceren met het beleid. Voor Nederland is de zogenaamde Natuurwaarde-index (NWI) ontwikkeld door het Milieu- en NatuurPlanbureau. De NWI combineert informatie over kwantiteit (areaal) en kwaliteit (ecosysteemspecifieke soorten) ten opzichte van een natuurlijke referentiesituatie in 1950. De berekening van de NWI wordt uitgelegd en gedemonstreerd voor vaatplanten in de regio duinen, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan een aangepaste referentiesituatie voor de duinen in 1850. De karakteristieke duinflora blijkt in de 20e eeuw een sterke achteruitgang te hebben beleefd, met name van de natte graslandsoorten. In de laatste decennia van de 20e eeuw is er echter sprake van een duidelijk herstel hiervan.

 

Development of the Nature Capital Index for the dunal region

 

Biodiversity is in rapid decline worldwide. It is a complex concept, hence there is a need for an easy and transparent indicator to characterize and communicate this decline to policy makers. For the Netherlands, the Nature Capital Index (NCI) has been developed by the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP). The NCI combines information about quantity (area) and quality (ecosystem specific species), which are standardized to a natural reference situation in 1950. In this paper, the calculation of the NCI is being described for the vascular plants in the dunal region and special attention is paid to the construction of the adapted reference situation of 1850 for this region. The characteristic flora of the dunes showed a strong decline in the 20th century, in particular wet grassland species. However, by the end of the 20th century these species showed a remarkable recovery.

 


Gorteria 33-1: 1–10

G. Londo & H. de Jong

 

Brachypodium ×cugnacii A.Camus nieuw voor Nederland

 

Brachypodium ×cugnacii, de hybride van B. pinnatum en B. sylvaticum, is spontaan ontstaan in een vegetatie met de oudersoorten op de overgang van kalkgrasland en struikgewas in de ecologische proeftuin van de eerste auteur te Scherpenzeel. De hybride bleek het intermediaire chromosoomgetal (23) te hebben ten opzichte van dat van de oudersoorten (respectievelijk 28 en 18). De kenmerken van B. ×cugnacii zijn grotendeels intermediair ten opzichte van de oudersoorten. In 2006 werd in Zuid-Limburg een plant met intermediaire kenmerken gevonden, zeer waarschijnlijk betreft deze ook B. ×cugnacii hoewel dat nog niet door chromosoomonderzoek is bevestigd.

 

Brachypodium ×cugnacii A.Camus new in The Netherlands

 

Brachypodium  ×cugnacii, the hybrid of B. pinnatum and B. sylvaticum, has originated spontaneously in a vegetation with the parental species at the transition between calcareous grassland and scrub in the first author’s ecological experimental garden in Scherpenzeel (The Netherlands) in a vegetation gradient between calcareous grassland and scrub. The hybrid has chromosome number 23, which is intermediate to that of the parental species (being 28 and 18, respectively). The features of B. ×cugnacii are largely intermediate to those of the parental species. In 2006, a plant with intermediate features was also found in the southern part of the Province of Limburg, The Netherlands. Presumably, this plant also belongs to B. ×cugnacii, even though this has not yet been confirmed by chromosome research.

 


[Top of this page] [Gorteria] [Catalogue of publications] [NHN] [Naturalis]


Voor het laatst bijgewerkt op april 28, 2011 door Hans Kruijer